Alweer 4 ½ jaar geleden schreef ik “bureauslijper”. Met software ging ik aan de slag om een edelsteen virtueel te facetteren. Ik had toen het idee dat ik al snel “voor het echt” zou gaan. Helaas kwam er iets tussen (begint met een C en eindigt op een a of een d). Onder begeleiding heb ik in de tussentijd een kwartsbriljantje geslepen bij Bert Verrips, maar zonder hulp aan de gang gaan kwam er niet van.
Tot deze maand!
Het moment was gekomen om zonder hulp het facetteren op te pakken. De aanleiding om dat nu te doen heeft niets met briljanten te maken: ik ben bezig om onderzoek te doen naar Moldaviet en Libisch glas, en daarvoor is het slijpen en polijsten van (kleine) plakjes materiaal een must. Op de cabochonneermachine ging dat niet goed genoeg naar mijn zin, en dus kwam ik weer op het oude idee terecht: zelf met een facetteermachine aan de gang gaan.
Wat is facetteren van edelstenen?
Deze vraag wordt beantwoord in het eerdergenoemde artikel, hier lees je het verhaal over bureauslijpen.
Welke tools?
Wat er natuurlijk nodig is, is een facetteermachine. Daar zijn verschillende uitvoeringen van. Het belangrijkste onderscheid is die tussen een “mast”- en een “handstuk”-machine. Over de mast lees je in “bureauslijper”. Welke van de twee types de beste is, is een discussie die her en der woedt. Wat ik uit de artikelen van meesterslijper Justin Prim haal, is dat de mast nauwkeuriger is, en een handstuk sneller. Commercieel zal ik nooit productie slijpen, en dus is die keus simpel: een mastmachine.
Er zijn wereldwijd best wel wat aanbieders, maar het is geen apparaat dat om de hoek te koop is. Prijzen variëren vanaf €300 bij aliexpress tot tegen de $10.000 voor Amerikaanse topproducten. In het laatste geval heb je een digitale hoekmeter, hoogtemeter en naar verluidt een super nauwkeurigheid. Uiteindelijk heb ik er een van een Nederlandse bouwer aangekocht (Bert Smit). Is in ieder geval de maker dichterbij, en heb ik geen last van invoerheffingen, transportkosten etc etc.
Daarmee ben je er niet. Vanuit het cabochonneren heb ik al aardig wat materiaal, maar er zijn nog slijp- en polijstschijven nodig. Metalen in plaats van houten dopsticks, propaanbrander en ga zo door. Ook die zijn niet altijd om de hoek te koop.
Mijn eerste steen heb ik uiteindelijk geslepen met dunne diamant slijpschijven (“dunne flatlap”) in #600 en #1200 (product van Brusius en van Ali, ik zie het verschil niet m.u.v. de prijs), pre-polish diamant #320 en #600 in eboniet (product van Bert), en Ceriumoxide op een tin-lood schijf. Via allerlei kanalen heb ik inmiddels een grotere verzameling samengesteld voor de vervaardiging van de tweede steen, en de eerder genoemde plakjes natuurlijk glas.
En dan: hoe aan de gang?
Er is geen simpele handleiding. De standaard is toch om bij een vereniging een cursus te volgen. Helaas kost dit een half jaar, en is mijn ervaring met de dynamiek van dit soort cursussen dat het niet altijd tot snel resultaat leidt. Zoeken en zoeken leverde de twee delen “amateur gemstone facetting” uit 2014 van Tom Herbst op. Ik ben niet gauw onder de indruk van de kwaliteit van boeken/handleidingen, maar dit boek is een totale verademing. Ik ben dus zijn methode gaan volgen. Het boek staat vol met praktische tips en info, en het heeft me voor veel beginnersfouten behoedt. Zo staat er uitgebreid beschreven hoe je met bruine lak een steen op de dop zet. Als cabochonneerder doe je het met een houten stokje waar je met hete lak de steen op plakt. Bij facetteren gaat het net iets ingewikkelder. Ook wel logisch, als de cabochon loslaat zet je hem er weer op, lastig maar niet onoverkomenlijk. Een halfgefacetteerde steen weer opnieuw goed uitgelijnd aan de dop zetten is een stuk ingewikkelder.
Waar normaal gesproken de eerste steen die je slijpt een briljantvorm heeft, en meestal in kwarts wordt uitgevoerd, beveelt Tom een eigen ontwerp aan. Het grote verschil is dat een briljant totaal 57 facetten heeft (en inclusief rondistfacetten zelfs 73), en het ontwerp van Tom aan 31 facetten inclusief rondist genoeg heeft.
Natuurlijk had ik ook ruw materiaal nodig waaruit ik de steen kan slijpen. Toevallig had ik nog een paar stukjes citrien liggen (citrien is de gele variëteit van kristallijne kwarts). Voor de mineralogen die dit lezen: jullie noemen dit gebrande amethist (lees hier alles over de benaming van citrien).
Het ontwerp
De steen krijgt een zesvoudige symmetrie. Om goed te begrijpen hoe het ontwerp in elkaar steekt maar weer eens (na twee jaar of zo) mijn kopie van Gem Cut Studio gestart en het ontwerp virtueel nagemaakt. Ik kon merken dat het alweer een tijdje geleden was. Na wat valse starts kreeg ik een keurig ontwerp eruit inclusief slijpvoorschrift.
Met de software krijg je ook een idee hoe de steen eruit zou horen te zien. Dat is natuurlijk volledig geïdealiseerd zonder slijpfouten en met een egale kleur. Ik heb altijd een beetje een haat-liefde verhouding met dit soort plaatjes. Enerzijds maakt het je hebberig om het te maken, aan de andere kant kan de daadwerkelijke steen niet gauw tippen aan de ideale virtuele wereld.
Aan de gang
Voor de paviljoen heb ik eerst de dunne flatlaps #600 – #1200 gebruikt (het nummer geeft de fijnheid van de diamantkorrels aan. Hoe hoger het nummer, hoe fijner (kleiner) de korreltjes. Je werkt dus van lage nummers naar hoge nummers). Daarna de eboniet #360 en #600. Ondanks de grotere korrels slijpt een ebonietschijf aanzienlijk gladder dan een flatlap. De laatste schijf gaf enigszins een prepolish. Ik had geen andere schijven en wilde door. Dus daarna gelijk met CeriumOxide gepolijst op tin-lood. Het resultaat van de paviljoen en rondist viel niet tegen. Achter de machine leek het “perfect”. Vervolgens heb ik de steen omgezet zodat ik met de kroon aan de gang kon. De #1200 flatlap leek me niet noodzakelijk, dus dat werd alleen flatlap #600, en daarna eboniet #360 en #600. Op zich ging dit prima behoudens een enkel foutje (zie verderop). Uiteindelijk de tafel geslepen met de #600 eboniet.
Na al het geslijp en gepolijst kwam vervolgens het moment suprême: losmaken en bewonderen.
Het eindresultaat
Met het blote oog vind ik het er fraai uitzien. Ook onder een gewone camera kan het er wat mijn betreft prima mee door. Op de refractometer was de uitlezing scherp, wat aangeeft dat de vlakken goed gepolijst zijn. De citrien heeft een gewicht van 4,4 karaat, en een doorsnede van 12,8 mm.
De steen heeft een sterke kleurzonering. Dit is een kenmerk van amethisten die via warmtebehandeling tot citrien zijn gemaakt.
De verbeterpunten
Jaren geleden heb ik een presentatie van een grote Nederlandse handelaar in gefacetteerde stenen bijgewoond. Daarvan is een belangrijk citaat me bijgebleven. Ik heb dit in een blauw tegeltje vereeuwigd.
Het punt is, als je met een loupe, en zeker een microscoop, lang genoeg zoekt, zie je altijd onvolkomenheden. Dat hoort bij het materiaal, het is handwerk, en alhoewel onze machines op zich een prima precisie hebben, kan het altijd beter en zijn ze geen match voor bijvoorbeeld slijp- en polijstapparatuur voor wetenschappelijke doeleinden.
Toch is dat natuurlijk geen vrijbrief om onzorgvuldig met kwaliteit om te gaan, en sommige fouten moet je echt voorkomen. Onderzoek aan mijn steen leverde de volgende verbeterpunten voor de volgende keer op. En inderdaad, sommige punten kunnen en moeten wat beter.
Conclusie:
Op naar de volgende!